Fundament
Sangha
Tibetaans: gendün (dge 'dun) · Sanskriet: saṃgha · Engels: Sangha
Sangha is de gemeenschap van beoefenaars: de mensen die dezelfde weg gaan als jij, en de derde van de Drie Juwelen waarin een boeddhist toevlucht neemt.
Sangha is de gemeenschap van beoefenaars: de mensen die dezelfde weg gaan als jij, en de derde van de Drie Juwelen waarin een boeddhist toevlucht neemt. Het Sanskrietwoord betekent zoiets als gezelschap of vereniging. In het Tibetaans heet het gendün, samengesteld uit het woord voor heilzaam en het woord voor streven: zij die het goede willen.
Wat het woord dekt
In de strikte zin verwijst sangha naar beoefenaars die de aard van de geest werkelijk hebben gezien, de arya-sangha. Dat zijn degenen in wie toevlucht wordt genomen. Niet omdat zij foutloos zouden zijn, maar omdat zij laten zien dat de weg begaanbaar is. Iemand is hier vóór ons gegaan en is aangekomen.
Het woord wordt ook gebruikt voor de gemeenschap van monniken en nonnen, die het onderricht eeuwenlang heeft bewaard en doorgegeven. In de Nyingma-traditie loopt daar een tweede lijn naast, even oud en even serieus genomen: die van de ngakpa's, de yogi's en yogini's met lang haar en een huishouden, die beoefenen zonder kloostergelofte. Padmasambhava was zelf geen monnik. Voor veel westerse beoefenaars is dat een opluchting. Een leven met werk en kinderen sluit een serieuze beoefening niet uit.
En dan is er de sangha in de alledaagse betekenis: de groep waarmee je op zaterdagochtend in dezelfde ruimte zit. Zij hoeven niets te bewijzen. Het zijn mensen zoals jij, met dezelfde ochtenden waarop het niet wil lukken.
Waarom je het niet alleen doet
Beoefening is uiteindelijk iets wat niemand voor je kan doen. Ze is in je eentje ook moeilijk vol te houden. Je komt op zaterdag omdat je gezegd hebt dat je zou komen, en op een ochtend waarop de bank aantrekkelijker is, is dat reden genoeg. Wat begint als afspraak wordt na verloop van tijd gewoonte, en gewoonte draagt je door de perioden waarin je er niets bij voelt. Die perioden komen.
Er is nog iets. Wie lang in zijn eentje beoefent, gaat ongemerkt zijn eigen kant op. In een groep hoor je hoe een ander dezelfde tekst leest, en merk je waar je stilletjes iets was gaan invullen.
In het Vajrayana krijgt het woord bovendien gewicht door de transmissie. Wie van dezelfde leraar dezelfde overdracht ontvangt, wordt vajrabroeder of vajrazuster van iedereen die daarbij zat. De traditie is daar niet sentimenteel over, maar wel streng: onderlinge wrijving en oud zeer schaden de beoefening van alle aanwezigen. Harmonie in de sangha is dus geen kwestie van beleefdheid. Ze hoort bij de beoefening zelf.
Bij Rigdzin Dzogchen Ling is de sangha klein en concreet. Elke zaterdag komen we samen voor de Düdjom Tersar Ngöndro, op zondag voor Chö. Maandelijks is er tsok, op Guru Rinpoche-dag en op Dakini-dag, waar het voedsel dat is aangeboden aan het eind onder de aanwezigen wordt gedeeld. Wie een keer wil komen kijken is welkom. Aanschuiven is de enige manier om erachter te komen of het iets voor je is.
Dit beoefenen wij
Kom een keer meebeoefenen, elke zaterdag Ngöndro en elke zondag Chö in Hoofddorp »